maandag 24 juni 2013 — Poëzie

Geschreven door B. Trip op . Geplaatst in Webdagboek Jan de Korte

Van boekenbonnen koop ik tegenwoordig vrijwel altijd poëzie, liefst dikke bundels met verzameld werk. Zo ging ik vanmiddag naar huis met Remco Campert, ‘Dichter’ heet deze bundel. Toepasselijk, dichter wil hij zijn, daar ligt zijn hart vertelde hij bij Wim Brands. Juist over poëzie heeft hij ook veel gedicht, klassiek zijn intussen zijn regels: ‘Poëzie is een daad / van bevestiging’. Even verder in hetzelfde gedicht staat: ‘Poëzie is mijn adem, beweegt / mijn voeten, aarzelend soms, / over de aarde die daarom vraagt.’ In de laatste bundel die opgenomen is viel me onderstaand gedicht op. Ik heb net het boek van Jan Brokken gelezen, ‘De vergelding’. Het gaat over een enkele gebeurtenis in de oorlog met een geweldige impact voor een hele gemeenschap. Ergens in het boek roept een vrouw uit, als ze op hoge leeftijd weer met de oorlog geconfronteerd wordt: ‘Gaat die rot oorlog dan nooit voorbij?’ Die roep klinkt ook in dit gedicht, toch zet ik boven dit stukje niet het woord oorlog, maar het woord poëzie. Dat is het antwoord van Remco Campert, terwijl zijn band met de oorlog voor een belangrijk deel gevormd wordt door poëzie, dat ene gedicht van zijn vader, ‘De achttien doden’. In ‘ De vergelding’ van Jan Brokken is veel zwijgen, taboe en ontkenning, Remco Campert is blijven spreken, noemt de dingen bij hun naam en juist dat is op een wonderlijke manier een schuilplaats. ‘Blijven zingen’ zeggen we dan in de kerk, ook op de bodem van put, in de nacht, ‘als de soldaten komen / in hun gierende tanks’.
 
Poëzie

Eergisteren was het oorlog
gisteren ook
en nog altijd in mijn heden
dat niet alleen van mij is

geld sluipt rond over de wereld
betaalt zichzelf met oorlog

oorlog mag zijn naam niet dragen
noemt zichzelf defensie

poëzie is het struikgewas
waarin ik me verberg
als de soldaten komen
in hun gierende tanks