Maandag 27 oktober 2014 – Sara

Geschreven door J de Korte op . Geplaatst in Webdagboek Jan de Korte

saraIn de dienst van 19 oktober heb ik het verhaal van Sara verteld. Sara die hoort dat ze als oude vrouw zwanger zal worden en dan lacht in zichzelf. Vaak wordt er afkeurend gesproken over dit lachen van Sara, volgens mij sluit dat de weg af om haar lachen echt te begrijpen. Ik heb geprobeerd het verhaal te vertellen vanuit de gedachte dat het lachen van Sara een opening geeft naar de toekomst. Er gebeurt iets met haar, ze lacht, en dit lachen haalt haar uit het eigen verhaal waarin ze vast zit. Lees hieronder mijn vertelling van dit verhaal.

Sara lacht niet meer. Negentig jaar is zij. Het lachen is overgegaan, het is voorbij, iets van vroeger. De blijheid is verdwenen.

Voorbij is wat geweest is. De vreugdevolle belofte, het gezamenlijke vertrouwen in een toekomst. De gedachte eraan is vervaagd, vervaagd is waar ze vol van waren, zij en Abraham. Een beloofd land, nakomelingen, een groot volk zou er uit hun groeien. Zegen, daardoor en daarvoor gingen ze pad, lieten ze alles achter zich, konden ze alles aan.

Ze had allang gemerkt dat ze niet gemakkelijk zwanger werd, maar er was de belofte en het vertrouwen en samen konden ze het aan. Goede jaren hebben ze gehad, ondanks alle ontberingen, de vreemde streken waardoor ze trokken, de vijandigheid die ze ontmoetten. Ze gingen, met vreugde in hun hart en ze lachten vaak, vooral naar elkaar, zij en Abraham.
Het is voorbij, ook Abraham lijkt er niet meer in te geloven en die zogenaamde zegen lijkt nu wel tussen hen in te staan, hij ziet haar nauwelijks. Bijna honderd is hij, wat kan ze ook nog van hem verwachten.

Voorbij, en nu zit ze hier in haar tent, de meeste taken die ze had hebben anderen van haar overgenomen, en toen bleek dit haar plaats, een tent zonder uitzicht. Ze zit wat te wachten, waarop eigenlijk? Zij hier en Abraham voor de tent, die zit daar maar wat te dommelen. Ze hoort niet veel meer van hem, ze ziet hem alleen als hij iets van haar nodig heeft en dat is steeds minder.

Daar komt hij net binnen, wat is hij haastig. ‘Snel, meel, deeg, brood’. Wat een gedoe ineens en waarom moet zij dat doen?
Ze hoort stemmen, gepraat, bevelen, over eten gaat het, een kalf, boter, melk. Lang geleden dat hij zo uitpakte. Eindelijk wordt het weer wat rustiger. De mannen, ze heeft intussen door dat het er drie zijn, zitten kennelijk in de schaduw van de boom te eten. Abraham zal er als een goed gastheer wel bij staan.

Dan hoort ze haar naam: ‘Ik kom over precies een jaar bij u terug en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben’.
Zij? Stel je voor! En even ziet ze het voor zich, zij met een kind, een kind van Abraham en Sara, zeker ‘lang verwacht en toch gekregen’.
Nee echt niet, het kan niet en het zal niet en ze weet niet eens goed of ze het wel zou willen. Na alles wat ze meegemaakt heeft, op haar leeftijd, je moet er toch niet aan denken.

Maar ergens: ‘wat zou het mooi zijn’, ‘wat zou het goed zijn’.
Ze lacht wat in zichzelf, om het beeld, van haar en Abraham, van haar en een baby, van haar tussen de mensen om haar heen. In een flits ziet ze het kind al opgroeien, groot worden, en zij samen vader en moeder, misschien wel opa en oma. In die hoek zet ze de wieg en daar liggen de handdoeken en de kleertjes.
Ze wordt er blij van, ineens denkt ze aan de zegen van vroeger, daar konden ze ook zo blij en sterk worden, elke dag was gewenst.

Wat zit ze hier nu stom te lachen in zichzelf. Wat een pijn is er niet geweest, hoe boos was ze niet, ook bij dat gedoe van Abraham en Hagar, het kind dat hier rondloopt herinnert er haar elke dag nog aan. Wat een verdriet was er, het heeft haar lichaam en geest getekend. Haar tent zwart laten verven, dan kon ze beter doen, en zich nooit meer aan iemand laten zien.

En dan, o schrik, hoort ze de vraag: ‘Waarom lacht Sara, waarom vraagt ze zich af of ze op haar leeftijd nog wel een kind ter wereld kan brengen?’ Ja, dat ongeloof is er ook bij haar, ‘natuurlijk vraag ik me dat af, waarom ik lach? belachelijk is het! En ik laat me niet blij maken, dat heb ik vroeger al te vaak gedaan.’ Als in een reflex roept ze het uit: ‘Ik heb niet gelachen’. Er is niets te lachen, het is voorbij, voor mij, voor Abraham, onze liefde, ons samenzijn, onze gezamenlijke toekomst, over, fini, geweest. Ze hoort de man van de vraag nog een keer: ‘Ja, je hebt wel gelachen.’ Het wordt stil buiten, de mannen gaan weer weg, alleen is ze, in haar tent.

Plotseling ziet ze zichzelf als boos kind, miskend en niet begrepen. Een klein meisje dat boos en verdrietig is, alleen op de wereld. En alles was stom en niets was meer goed, en nergens had ze nog zin in. Moeder nam haar dan bij zich, troostte haar, vertelde een verhaaltje, en na tijdje probeerde ze haar aan het lachen te brengen. Maar ze wilde nog helemaal niet lachen, ze was boos, ze was verdrietig, ze was eenzaam. ‘Ik lach niet’, riep ze dan, ‘ik lach echt niet.’ ‘Je lacht wel, ik zie mijn kleine lieve Sara een beetje lachen.’

Het gekke was dat ze zich dan beter ging voelen. Alsof er een scheurtje, een barstje kwam in het pantser van haar boosheid, haar pijn en verdriet. Een door dat scheurtje, dat barstje heen voelde ze hoe dichtbij moeder was, en dat ze van haar hield.

Het is avond, de drie mannen zijn allang uit het zicht verdwenen. Samen zitten ze voor de tent, zij en Abraham. Hij dommelt niet meer, hij zit te peinzen. Hij kucht: ‘Lachte je vanmiddag nu wel of niet?’
‘Ach Abraham, er is niets te lachen, dat weet jij toch ook wel, en toch….’
Het is een tijdje stil, dan stelt Sara een vraag.
‘Wie waren die drie mannen eigenlijk?’
Abraham kijkt eens naar hemel.
‘Volgens mij was het de Heer zelf, drie mannen, het getal drie past wel bij Hem, vind ik.’
‘Tja, waren wij maar met z’n drieën’, denkt Sara, tranen wellen op.

Abraham kijkt nog eens naar de hemel, intussen zijn de sterren zichtbaar geworden, eindeloos veel in het donker van de woestijn. Hij mompelt wat voor zich uit, maar Sara verstaat het wel.

‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord is leven en het leven is het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’

Nu lacht ze voluit, door haar tranen heen.
‘Abraham’, fluistert ze, ‘zo ken ik je weer, kom eens wat dichterbij, mijn liefde.’