Maandag 7 april 2014 – Huilen

Geschreven door J de Korte op . Geplaatst in Webdagboek Jan de Korte

Gisteren maakte ik in de dienst gebruik van een gedicht van de Australische dichter Les Murray. Een gedicht over een man die huilt, midden op een stadsplein in Sydney. Zoals veel van de gedichten van deze dichter is het een verhalend en tamelijk lang gedicht, ik heb het dan ook niet helemaal geciteerd, lees het hier in zijn geheel. Les Murray weet alle reacties op dit huilen, dat helemaal vrij is – hij verbergt zich niet, hij huilt zonder misbaar -, heel precies te verwoorden. Een vrij huilen en een bevrijdend huilen, lees en zwijg, mooie woorden heeft deze man niet nodig: ‘Gelovigen ontwijkend beent hij haastig weg door Pitt Street’. Het gedicht staat in de prachtige bloemlezing van Maarten Elzinga, ‘De planken kathedraal’. Daarin de oorspronkelijke Engelse gedichten en de vertalingen van Maarten Elzinga.

Een doodgewone regenboog

Het bericht gaat rond bij Repin’s,
het gemompel doet de ronde in Lorenzini’s,
in Tattersals kijken mannen op van hun cijferkolommen,
de klerken van de Beurs vergeten het krijtje in hun handen
en mannen met brood in hun jaszak verlaten de Greek Club:
er staat een vent te janken op Martin Place.
Ze kunnen hem niet tot bedaren brengen.

De kilometerslange files in George Street staan muurvast,
onwrikbaar. De menigte gonst van de opwinding
en nieuwe drommen stromen toe. Veel mensen rennen zijstraten in
die pas nog drukke hoofdstraten waren, en wijzen:
er staat daar iemand onbedaarlijk te janken.

De man die we omringen, die niemand durft te naderen
huilt gewoon, en verbergt dat niet, hij huilt,
niet als een kind, niet als de wind: als een man,
zonder misbaar, zonder zich voor de borst te slaan, en snikt
niet eens bijzonder luid, maar de waardigheid van zijn tranen

bant ons uit zijn ruimte, de holte die hij om zich schept
in het middaglicht, in zijn pentagram van verdriet,
en van achter in de menigte staren de uniformen hem aan
die hem wilden arresteren, en nu tot hun verbijstering merken
hoe iets in hen naar tranen verlangt, zoals kinderen naar een regenboog.

Over een paar jaar zullen sommigen zeggen dat hij was omgeven
door een halo, of een ring van kracht. Maar dat is kletskoek.
En sommigen, dat ze waren geschokt en wilden dat hij ophield,
maar die zijn er dus niet bij geweest. De stoerste macho,
de koelste kikker, de meest gevatte grapjas onder ons

zwijgt huiverend en wordt verteerd door een onverhoeds
vreedzaam oordeel. Sommigen in de menigte die meenden
gelukkig te zijn beginnen te schreeuwen. Alleen de kleinste kinderen
en die toekijken uit het paradijs komen dichterbij
en gaan aan zijn voeten zitten, samen met honden en stoffige duiven.

Belachelijk toch, zegt iemand naast me, en slaat zijn hand
voor zijn mond, alsof hij die woorden had uitgebraakt
en ik zie een vrouw die haar handen uitstrekt, stralend
en bevend, terwijl ze de gave der tranen ontvangt;
en alle anderen die haar volgen ontvangen de gave

en veel mensen huilen van pure aanvaarding, en er zijn er meer
die weigeren te huilen, uit angst voor welke aanvaarding dan ook,
maar de huilende man heeft niets nodig, zomin als de aarde,
de man die huilt negeert ons, en uit zijn verwrongen gezicht
en zijn gewone lichaam snikt hij geen woorden

maar pijn, geen boodschap, maar enkel verdriet,
hard als de aarde, doorzichtig, aanwezig als de zee
en wanneer hij ophoudt, stapt hij doodgewoon tussen ons door
veegt zijn gezicht af met de waardigheid van iemand
die heeft gehuild, en nu klaar is met huilen.

Gelovigen ontwijkend beent hij haastig weg door Pitt Street.